Zoek
Over Wmo-Werkplaats Kenniskringen Praktijkprojecten Actueel Betrokkenen Wmo-info
Publicatiedatum: 27-01-2011

'Een zooitje ongeregeld', interview met Klaas Mulder

 “Wees als gemeente een warme coach voor alternatieve dienstverleners als de mandolinevereniging of het Turkse koor.” Aan het woord is Klaas Mulder, senior adviseur bij Laagland Advies. Hij publiceerde onlangs - bij KEI kenniscentrum stedelijke vernieuwing - het boekje ‘Een zooitje ongeregeld. Prestaties verbeteren zonder subsidie of contract’ .

 
 
Wat bedoelt u precies met een ‘zooitje ongeregeld’?
“Dat zijn de partijen die diensten leveren zonder een contract met de overheid. Al die partijen bij elkaar noem ik een zooitje ongeregeld op het terrein van welzijn, cultuur, wonen, sport en zorg. Denk daarbij aan de particuliere huisbaas, de moskee of de biljartvereniging. Juist in tijden van economische schaarste zouden gemeenten veel meer van deze wereld van niet-gesubsidieerde uitvoerders gebruik moeten maken. Het resultaat zou moeten tellen, namelijk dat burgers goed in hun vel zitten. Nu is de begroting en wie er geld krijgt van de gemeente leidend. Dat is doodzonde.” 
 
 
Hoe kunnen gemeenten meer gebruik maken van die alternatieve uitvoerders, hoe moeten zij dat aanpakken?
“Je moet het zooitje ongeregeld niet helemaal loslaten en de initiatiefnemers hun eigen boontjes verder laten doppen, want dan wordt de kwaliteit van het aanbod wellicht te laag. Maar je moet het zooitje ook niet helemaal proberen te regelen; de gulden middenweg zoeken dus. Stimuleer mensen om het beter te doen maar niet door er pseudo-professionals ervan te maken. Als je probeert het zooitje in een formeel jasje te gieten, dan loop je het risico dat je het kapot maakt. Mensen haken af als ze opeens een jaarverslag in vijfvoud moeten aanleveren. Er ligt een meer faciliterende en begeleidende rol voor de gemeente.” 
 
 
Hoe ziet die rol van de gemeente er dan concreet uit, bijvoorbeeld voor de sector welzijn?
“Als je kijkt naar de verschillende informele aanbieders die er zijn op het gebied van kinderwerk (vrijwilligers van sportverenigingen et cetera) dan blijkt dat zij niet altijd weten hoe zij bijvoorbeeld twaalf kinderen zonder ruzie kunnen laten voetballen. In zo’n geval zou de gemeente vraagbaak moeten zijn voor iemand die op woensdagmiddag voetbal met kinderen wil organiseren. De gemeente moet als coach optreden, waardering tonen en zeker niet loslaten en zeggen: met niet-gesubsidieerde initiatieven hebben wij niets te maken, of: wat wij niet betalen, bestaat niet. Dan laat je enorme kansen liggen. Bovendien kun je op die manier het werk van de ambtenaar veel leuker maken. Het is toch veel prettiger om een stad te besturen als coach dan als een soort controleur die achter jaarverslagen aanzit en subsidieaanvragen afwijst.” 
 
 
Is er een gemeente die de faciliterende en coachende rol al regelmatig op zich neemt?
“Jazeker. Met name de kleinere gemeenten met een enorm verenigingsleven doen dat eigenlijk al vanzelf. Daar kijkt de gemeente vaak met waardering en aandacht naar allerlei initiatieven zonder direct de portemonnee te trekken. Toch zijn er grote verschillen tussen gemeenten op dat gebied. Amersfoort is in mijn ogen wel een voorbeeldgemeente. Daar is de gemeente zeer goed in het faciliteren en coachen. Succesvol is bijvoorbeeld de rondvaart door de oude binnenstad in Amersfoort, genaamd De Waterlijn. Dat is een initiatief van een paar senioren die zich graag nuttig wilden maken voor de stad. Met een hele grote groep vrijwilligers zorgt de Waterlijn niet alleen voor de reguliere stadsbezichtiging, maar ook voor allerlei thematochten met aandacht voor cultuur en natuur. De initiatiefnemers wilden geen subsidie, maar waren wel blij met het aanbod van de gemeente om een kade aan te leggen om af te meren. Ook liet de gemeente een marktonderzoek uitvoeren, waarmee de stichting zelf kon nadenken over vernieuwende activiteiten. Dat gebeurde zonder enige druk vanuit het gemeentehuis, en dat hoeft ook niet, als mensen zelf gemotiveerd genoeg zijn.” 
 
 
Zijn er ook gemeenten die het juist ‘slecht doen’ op dit vlak?
“Ja, veel gemeenten willen er zelfs niets mee te maken hebben. Dat is met name het geval bij de sector Jeugd en Gezin. Daar zie je opvallend weinig doorverwijzingen naar informele aanbieders. Met name in het sociale domein is er sprake van angst voor het zooitje. Bijvoorbeeld consultatieartsen van de GGD vinden het moeilijk om iemand te wijzen op een volkstuin of kookclubje, terwijl iemand daar juist heel veel aan kan hebben. Toch durven zij alleen maar door te verwijzen naar professionals, omdat zij dan een kwaliteitsgarantie hebben. In het domein van de armoedebestrijding is dat heel anders. Daar durven consulenten wel buiten formele instellingen om te werken.” 
 
 
In uw publicatie beschrijft u een ‘regiekoffer’ vol instrumenten die de kwaliteit van het totale dienstverleningsaanbod kan verbeteren, onder meer: ‘het beleid wordt gefundeerd in kennis van het hele veld van aanbieders.’ Kunt u dit toelichten?
“Bijvoorbeeld met betrekking tot jeugdbeleid: zet als gemeente alle clubs voor kinderen op een rijtje, inclusief de pooltafel. Je kan uiteraard niet om de professionals heen, maar noem álle accommodaties waar welzijnsachtige zaken gebeuren. Gemeenten hebben daar vaak nauwelijks zicht op en houden er daarom in het beleid onvoldoende rekening mee. Nodig bij interactieve beleidsvorming - en dat is tevens een van de andere instrumenten in de regiekoffer - naast consumenten en professionals heel nadrukkelijk ook de ‘informele co-producenten’ uit. Dat is bijvoorbeeld onlangs gebeurd in de gemeente Tiel, door de directie Wonen en Zorg. Op ons aanraden heeft de gemeente ook de buurtvereniging en de Turkse ouderenclub uitgenodigd voor een informatieve bijeenkomst, om uit te wisselen welke initiatieven er zijn en wie wat doet. Deze enkele bijeenkomst leidde al tot een compleet nieuw palet aan vraag en aanbod.” 
 
 
Wat hoopt u met deze publicatie te bereiken?
“Ik hoop dat gemeenten geïnspireerd raken om ondanks minder financiële middelen, actief en voortvarend aan de slag te gaan om de kwaliteit van leven van burgers op peil te houden. Als het flink minder moet, zet dan alles op alles om alle andere troeven maximaal in te zetten. Wees als gemeente een warme coach voor alternatieve aanbieders als de mandolinevereniging of het Turkse koor.” 
 
 
 
Bron:
Simone Ketelaars, Nicis Institute
Download hier de publicatie

 

Terug
Â