Zoek
Over Wmo-Werkplaats Kenniskringen Praktijkprojecten Actueel Betrokkenen Wmo-info

Samenspel binnen de WMO

Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is het overheidsbeleid erop gericht om de zorg voor kwetsbare burgers te ‘vermaatschappelijken’: Mensen die ondersteuning nodig hebben om een huishouding te voeren of sociale relaties aan te gaan hoeven daarvoor niet in een instelling te gaan wonen, maar krijgen professionele ondersteuning In de eigen leefomgeving. Door de ‘vergrijzing’ neemt het aantal mensen toe, dat  ondersteuning nodig heeft om zelfstandig te kunnen blijven wonen.

In het afgelopen  decennium zijn veel mensen, die in een instelling  woonden, verhuisd naar een eigen of gedeelde woning in een dorp of stad. Uit onderzoek (VWS 2007) blijkt dat de integratie van deze groep ten dele geslaagd is. Een groot aantal van de mensen, die vanuit een instelling naar de wijk zijn verhuisd zijn tevreden met hun huidige woonsituatie  hoewel het voorzieningen niveau lager is dan in de zorginstelling. Door zelfstandig te wonen hebben zij meer zeggenschap over het eigen leven.  Mensen hechten aan autonomie en voeren graag de regie over eigen leefsituatie. ( zie ook Linders ,2010). Maar uit dezelfde onderzoeken blijkt ook dat  het met de sociale integratie minder rooskleurig is gesteld. De kans op sociaal isolement  is bij deze burgers groot omdat zij fysieke en psychische beperkingen ervaren in het aangaan van contacten of om deel te nemen aan activiteiten in hun woonomgeving.

Met de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)in 2007 heeft de vermaatschappelijking van de zorg een duidelijk beleidskader gekregen . Een belangrijk maatschappelijk doel van deze wet is het bevorderen van de maatschappelijke participatie van alle burgers. Tegelijkertijd wordt er van burgers ook een eigen bijdrage aan het ‘meedoen’ gevraagd. De Wmo stelt dat mensen in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor hun participatie en voor het zo nodig organiseren van ondersteuning. Als zij daartoe niet in staat zijn, kunnen zij  een beroep doen op de publieke voorzieningen ( compensatiebeginsel).

Deze wet past in de verschuiving van het denken van een verzorgingsstaat die alles regelt naar een samenleving waar meer nadruk ligt op de eigen en medeverantwoordelijkheid van burgers. Met de invoering van de Wmo wil de overheid  ook een beter gebruik van onderlinge steunnetwerken stimuleren  zodat  het beroep op de professionele zorg vermindert. Er wordt een grotere inzet van mantelzorgers en vrijwilligers verwacht. Tevens wordt met de Wmo een meer vraaggerichte en integrale manier van werken beoogd die de verkokering in de zorg- en dienstverlening tegengaat  en beter aansluit op de situatie van de aanvrager van de ondersteuning. De verwachting is dat  de verkokering op lokaal niveau beter bestreden kan worden en dat daar de  verbinding wordt gemaakt met  andere sociale wetgeving zoals de Wet Werk en Bijstand. Het is de bedoeling dat op termijn meer taken vanuit de AWBZ en de jeugdzorg overgeheveld worden naar het gemeentelijke niveau.

Een andere belangrijke verschuiving die met de invoering van de Wmo heeft plaats gevonden  is de overheveling van taken van het landelijke naar het lokale niveau. In plaats van het Rijk zijn nu gemeenten verantwoordelijk voor de maatschappelijke ondersteuning. Een consequentie hiervan is dat gemeenten voortaan zelf bepalen bij wie zij de dienstverlening in het kader van de maatschappelijke ondersteuning inkopen.  Hierdoor ontstaat er “marktrelatie” tussen de gemeente  en de uitvoerende organisaties. Anderzijds wordt in het kader van deze wet verwacht dat de lokale overheid zorg- en dienstverleners en vertegenwoordigers van gebruikers betrekt bij de voorbereiding en de uitvoering van beleid.  Een aantal onderzoeken geeft aan dat dit opgespannen voet staat met het concept ‘marktrelatie’.

 

Veranderde vormen van dienstverlening en samenwerking 
De bovengeschetste ontwikkelingen hebben er toe geleid dat er op gemeentelijk niveau allerlei nieuwe vormen van zorg- en dienstverlening zijn ontstaan. Op diverse plaatsen in het land proberen gemeenten, woningbouwcorporaties en organisatie voor zorg- en welzijnsorganisaties  invulling te geven aan het concept ‘woon, zorg en servicezones’, er ontstaan wijkservicepunten en er is een groeiende aandacht voor werkwijzen en voorzieningen om sociaal isolement te  doorbreken.   Waar voorheen iedere organisatie zijn eigen aanbod deed naar de cliënt, wordt nu door de overheid ingezet op  meer integrale werkwijzen  waarbij organisaties al netwerk of keten  dienen samen te werken. Dit vraagt van professionals  dat zij over hun eigen grenzen van de eigen organisatie kijken en samenwerken met  professionals of vrijwilligers uit andere organisaties.

Wat dat laatste betreft;  in het voorgaande is al geschetst dat de overheid binnen het kader van de Wmo  grotere plaats toebedeelt aan mantelzorgers en vrijwilligers  in de zorg voor medeburgers.  Dit heeft tot gevolg dat professionals meer dan voorheen samenwerking moeten zoeken met  vrijwilligersorganisaties en de eigen netwerken van zorgvragers.

 

Vraagstelling
In het veld van zorg- en dienstverlening ontvouwen zich nieuwe  vormen  van samenwerking en samenspel ontwikkelen ter ondersteuning van kwetsbare burgers bij het zelfstandig wonen en deelnemen aan activiteiten in de samenleving.

In  dit onderzoek volgen we drie prototypes van samenwerking die het samenspel vanuit een verschillend startpunt vorm geven: de professional (Sociale Makelaar),  de methodiek (WEP) of de structuur (Centra voor Jeugd en gezin).

  • Sociale makelaar (Portes Utrecht)

De sociale makelaar is een Utrechts initiatief om op buurt- en wijkniveau een betere dienstverlening en afstemming op bewoners te realiseren door het inzetten van een professional die als expliciete opdracht heeft om  verbindingen tot stand te brengen in de buurt. “Makelen” betekent partijen bij elkaar brengen en mogelijkheden en bronnen benutten om een probleem aan te pakken of een inspirerend initiatief te nemen om een buurt  meer kleur en elan te geven.[1]. De welzijnsorganisatie Portes is gestart met de implementatie van deze sociale professional, door samen met de potentiële sociale makelaars een gezamenlijk trainings- en ontwikkelingstraject in te zetten dat resulteert in een profiel en erkende werkwijze.

  • WEP

Wijk en Psychiatrie wil de toenemende eenzaamheid van mensen in de wijk ( eerst met een psychiatrische achtergrond, nu ook andere doelgroepen)  doorbreken dan wel tegengaan.  Dit bereikt ze door doelgroepen te laten deelnemen aan activiteiten in het wijkcentrum en de wijk. Dit vraagt om inzet van verschillende partijen: de begeleidende instellingen van de doelgroep, medewerkers van het wijkcentrum, buurtbewoners die actief zijn in of vanuit het wijkcentrum en van de doelgroep zelf. Het samenwerkingsproces dat nodig is tussen de zorg- en welzijnssector kan omschreven worden met de termen ‘playing’ (nieuwe partners ontmoeten en het bediscussiëren van bestaande praktijken en ‘gaming’( maken van nieuwe afspraken en behalen van resultaten). Playing vindt plaats in netwerkbijeenkomsten van diverse professionals uit zorg en welzijn. Gaming gebeurt in de aansturing van het project door de begeleidingsgroep, waarin de samenwerkendepartijen van het project zijn vertegnwoordigd, maar ook op het wijkniveau over de uitwerking en de uitvoering van projectonderdelen.

  • Centra voor jeugd en gezin

In de afgelopen periode is op enkele plaatsen in de provincie Utrecht een Centrum voor Jeugd en Gezin van start gaan. Het doel achter de Centra voor Jeugd en Gezin is dat ouders en kinderen met hulpvragen snel terecht kunnen, dat  professionals snel afstemming vinden en dat cliënten niet doorgestuurd worden. Het kind en de ouder moeten er beter van worden; dat belang moet numero 1 zijn!’. Het vraagt van professionals een nieuwe wijze van samenwerking  over de grenzen van de eigen organisaties heen.

Hoe wordt invulling gegeven aan de samenwerking? Hoe sluiten CJG’s aan bij bestaande samenwerkingsstructuren in de wijk en op welke wijze vernieuwd en versterkt het de bestaande samenwerking?

 

Doelstelling van het onderzoek
Meer inzicht verwerven in hoe een goed samenspel  tussen burgers, zorg- en  dienstverleningsorganisaties (en overheid) vorm krijgt. We doen dit door  verschillende prototypes van samenwerkingsvormen op zich en in vergelijking met elkaar te onderzoeken. We concentreren ons daarbij op de  gevolgde werkwijze,de structuur, de adequaatheid van de samenwerking en de competenties van de professionals.

De uitkomsten van het onderzoek willen we gebruiken voor  deskundigheidsbevordering van  sociale professionals en de opleiding van nieuwe professionals.

 

Centrale onderzoeksvraag
Hoe wordt het samenspel  in het kader van de Wmo door betrokken actoren binnen het samenwerkingsverband vorm gegeven?

  • Welke rol hebben de verschillende actoren in het samenspel?
  • Welke doelen worden door verschillende  actoren nagestreefd binnen de samenwerking? Zijn deze bekend bij de partners?
  • Hoe wordt de samenwerking vorm gegeven? Welke werkwijze wordt gehanteerd?
  • Welke kennisbronnen worden benut?
  • Welke factoren in de omgeving zijn van invloed op het samenspel?

 

De  vier projecten worden gedurende twee jaar gevolgd. Het onderzoek wordt in drie stappen vormgegeven. In de eerste stap  ( juni ’10- oktober ‘10) beschreven we de projecten:  hoe wil men het samenspel vormgeven? Om belasting van uitvoerders zo gering mogelijk te houden, maken we daar waar mogelijk gebruik van bestaande beschrijvingen en evaluaties.  In een gesprek met de projectleider zal de aanbrekende informatie worden aangevuld.

In de tweede stap  willen we informatie verzamelen over het verloop van het samenspel: hoe wordt dat nu door verschillende betrokken ervaren? Hoe schatten ze de betekenis (in de zin van verbetering) in van het samenspel, wat zien ze als sterke punten en wat als zwakke? Er vinden dan interviews plaats met uitvoerende professionals  en stakeholders;  we denken daarbij aan de belangrijkste samenwerkingspartners, (vertegenwoordigers van) gebruikers en overheid. 

In de derde stap worden de afzonderlijke onderzoeksrapportages naast elkaar gelegd om de overeenkomsten en verschillen tussen de prototypes in kaart te brengen.  

 

Projectleider: Inge Scheijmans

Kenniskring Samenspel in de Buurt

 

[1] Portes, brochure Sociale Makelaar 

Â